Historie

Pastoors

1   Cornelis Jacobszoon         1465-1479

De eerste pastoor was Cornelis Jacobszoon. Hij werd aangesteld in 1465 en begon met het aanleggen van het Memorieboek. Dat is een agenda met liturgie, de kerkelijke dienstregeling voor het hele jaar. Voor iedere dag is een bladzij gereserveerd waarop bovenaan de naam van de heilige die op die dag herdacht wordt, vermeld staat. Dat is dan altijd de sterfdag van die heilige, maar die wordt dan als geboortedag (hij is naar de hemel gegaan-geboren in de hemel-) gevierd. Te beginnen met de eerste dag van het kerkelijk jaar werden ook de eerste zeven letters van het alfabet op de achtereenvolgende bladzijden geschreven.

Na de letter G begon men weer met de A en zo verder het hele jaar door. In een bepaald jaar had dus elke weekdag dezelfde letter. Omdat dit ieder jaar verspringt, wordt elk jaar aangeduid met zijn zondagsletter. Deze hoofdletters worden naar middeleeuwse gewoonte decoratief versierd, soms met bloemmotieven, maar hier vooral met mensenhoofden. Ze heten miniaturen.

“Dagelijks waren er sacrale momenten. Het hele openbare leven was ervan doortrokken. Op zondag werden na de hoofdmis de afkondigingen vanaf het bordes van het gemeentehuis aan de Voorstraat gedaan: afkondigingen van huwelijken, verpachtingen en verkopingen. Het was nodig dat het op die manier gebeurde vanwege het grote aantal analfabeten. Dit gebruik bleef ook na de hervorming, zelfs tot in de vorige eeuw, gehandhaafd. Wij danken daaraan nog de uitdrukking “Hij (of zij) hangt in het kastje”. Dat betekent dat de ondertrouw in het kastje aan het gemeentehuis stond aangekondigd.

Had iemand bepaald dat op zijn sterfdag een zielenmis moest worden opgedragen, dan werd dit ook op de betreffende bladzijde in het Memorieboek vermeld. Verdere aanduidingen waren aan welk altaar de mis gecelebreerd moest worden, hoeveel kapelaans de priester zouden assisteren, hoeveel waskaarsen er gebrand zouden worden en hoeveel geld of brood er op de sterfdag van de betrokken persoon aan de armen moest worden uitgedeeld. Al deze gegevens schreef Heer Cornelis Jacobsz. in opvallend fraai handschrift in het Memorieboek. Elke nieuwe zielenmis, ook wel jaargetijde genoemd, schreef hij op het juiste kalenderblad.

De laatste aantekening is van 27 oktober 1466. Op deze aan St. Vincentius gewijde dag, overleed Pieter Oelszoon, grondeigenaar in Duyvewaard. Dit land was het jaar tevoren – bedijckt uuten soute int vorsse-. Hij bepaalde dat de opbrengst van een 200 roeden groot perceel land gelegen aan de Langeweg tussen Middelharnis en Sommelsdijk zou dienen om jaarlijks een mis te celebreren. Dan moesten ook de armen worden bedacht, waarvoor hij een mate tarwebroods ter beschikking stelde. De priester kreeg voor zijn werkzaamheden vier penningen en de koster twee. Maaike, zijn weduwe, moest ervoor zorgen dat alles verliep zoals door haar man was bepaald. Na haar dood zouden de kinderen, te beginnen met de oudste, alles regelen. Daarna was de kerk verantwoordelijk voor de uitvoering van de laatste wil van Pieter Oeleszoon.”. ( citaat uit Historie Nederlands Hervormde Kerk Middelharnis, door J.L. Braber)

Laatste wil van Pieter Oeleszoon

2   Cornelis Oeleszoon           1479-1488

Hij was de tweede pastoor, benoemd op 23 juni 1479, maar wordt als Cornelis Alardszoon vermeld in de rekeningen van het bisdom. Hij overleed in 1492 in het godshuis van Onze-Lieve Vrouwe te Groenendaal.

Een godshuis is een middeleeuwse stichting waar arme vreemdelingen, arme passanten en kloosterlingen voor één of meerdere nachten onderdak konden krijgen. De prior, Pieter van der Ee, berichtte dat in een brief die gedateerd was 11 februari 1492, aan de pastoor van Middelharnis. Cornelis Oelesz. had zijn testament laten maken voor de schepenen van Dirksland in het baljuwshuis aldaar. Hij legateerde 7 gemeten land aan zijn zuster Lijsbeth Danckaerts. Van de opbrengst moesten zij een jaargetijde instellen voor hun overleden ouders.

3   Anthonis Kempeszoon van Cromvliet             1488-1525

Anthonis werd op 10 juni 1488 tot pastoor benoemd. Daarvoor was hij priester in het klooster St. Michiel te Antwerpen en mede-eigenaar van de heerlijkheid Middelharnis. In de periode dat hij pastoor was liet hij Thone Jansz. uit Sommelsdijk een oksaal maken in de kerk. Een oksaal is een verhoging voor de zangers. Hij overleed in 1525

4   Cornelis van Breda            1525-1544

Benoemd in 1525 en overleden in 1544.

5   Johannes van Lothem      1544-1561

Benoemd in 1544 en overleden in 1561

6   Arent Mattheüszoon        1561-1564

Benoemd in 1561 en overleden in 1564.

7   Marinus Adriaenszoon Crijgsman        1564-

Hoe lang hij in functie bleef, is nergens te vinden.

De plaatsvervangende pastoor of kapelaans.

Twee personen worden vermeld|: Wouter Janszoon en Pieter Anthoniszoon. Hij werd geboren in de parochie Zonnemaire en overleed op 15 september 1517 in het St. Michielsklooster te Antwerpen.

In de kerkekist was op 13 oktober 1561 nog een testament van hem aanwezig, zo verklaarden de kerkmeesters Teunis Claeszoon en Adriaen Floriszoon. Het was gemaakt voor Notaris Wilhelmus Raet in het huis van Jan Doense in Nieuwe Tonge. Als getuigen traden op Heer Jacob Laureszoon, heer Engel Jacobszoon en Poppe Pierszoon, allen inwoners van Nieuwe Tonge. Behalve de jaargetijden (zielemissen) die erin geregeld werden en nog diverse andere kerkelijke plechtigheden werden huizen en landerijen vastgezet om van de opbrengsten hiervan alles te kunnen betalen.

Bij die objecten staan o.a.:

  • 45 gemeten land in het rechtsgebied van Middelharnis, waarvan 7 gemeten aan de Groeneweg in het noorden grenzend aan de Heerweg en in het westen aan de Scheidweg;
  • 5 gemeten land in de Oostmoer (Onze Lieve Vrouwepolder);
  • 2 gemeten land bij de molen;
  • 31 gemeten land aan de Groeneweg, in het westen grenzend aan de Langeweg;
  • een huis aan de Ring, bewoond door Els, weduwe van Claes Hugeszoon;
  • de huishuur van Jacob Alyaenszoon de molenaar;
  • een huis aan de zeedijk, bewoond door Janne, weduwe van Adryaen Simonszoon.

De laatste erfgenaam die het testament moest uitvoeren was Jan Janszoon Haeck. Na hem verviel het in 1624 aan de Hervormde Kerk die nog steeds eigenaar is van vele landerijen.

Altaren

Ieder altaar had zijn eigen bedienaars.

  • Altaar van St. Anthonius, beschermheilige voor de melaatsen. Achtereenvolgens bediend door Nicolaas van Arckenstein (overl. 1514), Theodorus Anthoniszoon van der Meer (overl. 1518), Pieter Jacobszoon de Coster (overl 1520), Andries Pieterszoon; Johannes Dirkszoon (trad vrijwillig af in 1542), Frans Willemszoon (overl. 1566).
  • Altaar van St. Jacob, beschermheilige van de zeevaarders. Achtereenvolgens bediend door Dirck Anthoniszzon van der Meere, ( dezelfde als Theodorus Anthoniszoon, overl. 1518), Pieter Joostzoon (benoemd in 1518).
  • Altaar van St. Joris beschermheilige van de schutterij en St. Gertrudis, Patrones van pelgrims, stervenden, reizigers, ziekenhuizen, armen, weduwen en tuinmannen. Patrones tegen muizenplagen en rattenplagen. Vanwege het laatste was ze erg geliefd bij de boeren die in de Middeleeuwen veel last hadden van dergelijke plagen. Achtereenvolgens bediend door Willem Andrieszoon (overl. 1547), Mr. Hendrik van der Nath. Hij werd geboren in Sommelsdijk was priester en deken van het Kapittel van St. Marie in Den Haag. Hij functioneerde in veel dergelijke functies en stelde in de meeste gevallen een plaatsvervanger aan. (overl Den haag 1558)
  • Altaar van het Heilig Kruis , St. Petrus (beschermheilige van de vissers) en St. Paulus. Achtereenvolgens bediend door Cornelis Mattheüszoon (trad vrijwillig af in 1521), Jan Laurenszoon van Brouwershaven, Johannes Leendertszoon Ruygrock (trad vrijwillig af in 1521), Cornelis Corneliszoon (benoemd in 1557),Cornelis Jacobszoon (ontslagen in 1562), Jan Pot, benoemd op 12 mei 1562.