Historie

Kerk, kerkhof, kerketras, pastorieën en de Hoeksteen

Begraven in de kerk

Bij de inpoldering was al een twee gemeten groot kerkhof aangelegd. Daar werden onkerkelijken (maar die waren er nauwelijks) en armen begraven. De meeste mensen kregen een laatste rustplaats in het kerkgebouw. Het begraven vormde een heel belangrijke bron van inkomsten voor de kerk. Van 1590 tot 1645 waren de tarieven laag, namelijk 5 schellingen voor een begraving in het schip en het dubbele tarief voor begraven in het koor. De reden daarvoor is dat dit gedeelte van de kerk altijd als een heiliger deel werd beschouwd, omdat daar ook de altaren stonden. Een begrafenis van een kind kostte 2 schellingen en 6 penningen. In 1645 verhoogde men de begraaftarieven nogal fors, zodat er daarna meer op het kerkhof begraven werd. Een begrafenis in de benedenkerk (het schip) ging toen 3 gulden en 10 stuivers kosten, op het koor ook nu weer het dubbele en voor een kind bleef een half tarief gelden. Er konden daarnaast veel kosten bijkomen: het huren van een doodskleed (van luxe tot eenvoudig); het aanzeggen (bekendmaken) aan de huizen dat iemand was overleden; de koster luidde een uur lang de klok en dat kostte 42 stuivers (zijn neveninkomsten); de dragers moesten betaald worden.

Daar kwam na de ordonnantie van 26 oktober 1695 een nieuwe belasting bij. De belasting zou worden geheven op het trouwen, begraven en het vervoer van lijken en  verdeeld in verschillende klassen. Bij een inkomen van 800 gulden per jaar en / of gegoedheid boven de 12.000 gulden per jaar was een bedrag van 30 gulden verschuldigd; bij een inkomen van 400 tot 800 gulden en / of gegoedheid van 6.000 tot 12.000 gulden een bedrag van 15 gulden; bij een inkomen van 200 tot 400 gulden per jaar en / of gegoedheid van 2.000 tot 6.000 gulden een bedrag van 6 gulden; bij een inkomen beneden 200 gulden per jaar en / of gegoedheid beneden 2.000 gulden een bedrag van 3 gulden. Die bedragen moesten dus op twee momenten betaald worden: bij het huwelijk en bij een begrafenis. De familie van degene die nooit gehuwd geweest was, moest voor de begrafenis dan het dubbele bedrag betalen, zodat de plichten eerlijk verdeeld waren. Ook voor de begrafenis van kinderen moest dit betaald worden. Bij degenen die deze bedragen niet konden betalen werd achter de naam PD vermeld. Dat staat voor Pro Deo, of wel gratis.

Op het graf in de kerk werd een steen gelegd en de grootte en de versiering van die stenen toonde weer de welstand van de overledene. Rijke personen werden vaak in het koor opgebaard. Hoewel de tijd tussen overlijden en begraven heel kort was, veroorzaakte ook dit onhygiënische toestanden. De uitdrukking “een rijke stinkerd” herinnert nog hieraan.

Veel graven waren ook versierd met familiewapens.

De meeste grafstenen zijn bij de brand van 1904 zwaar beschadigd en de brokstenen verdwenen onder de plankenvloer. Na de tweede brand was ook daar niet veel van over. Bij de restauratie in 1998 kwamen nog restanten tevoorschijn en die hebben nu een plaats gekregen in het koor.

Van 1780 tot 1810 varieerden de begraafrechten van f 90 tot f 250.

Uit hygiënisch oogpunt werd per 1 januari 1829 het begraven in de kerk verboden.

Begraven op het kerkhof

Dit was in eerst instantie bedoeld voor ieder die het begraven in de kerk niet kon betalen, voor degenen die niet in de kerk begraven wilden worden en ( uit de katholieke periode ) voor ieder die niet in gewijde grond begraven mocht worden. Al vanaf het begin stonden er bomen op het kerkhof. Die vormden voor het kerkbestuur een bron van inkomsten, omdat ieder jaar een deel van het hout verkocht werd aan de plaatselijke wagen-maker, de timmerman of de schrijn-werker. Als een boom dood ging, werd deze aan de plaatselijke bevolking verkocht voor brandhout of reparatie van huizen.

In 1744 plantte men 149 iepen aan, in 1748 waren het er 95. In tien jaar tijd werd dat een totaal van 557 iepenbomen. Naarmate ze groter werden, werden ze gedund. Uiteindelijk stonden er in 1794 nog 273 iepen, alles bij elkaar toch een aardig bos.

Het kerkhof bleef tot 1895 in gebruik. Het was omgeven door een gracht, maar in 1893 was de veront-reiniging door de omwo-nenden zo erg geworden dat men besloot de gracht te dempen. In 1893 t/m 1895 gebeurde dat met het oostelijk deel en in 1895 t/m 1897 met het westelijk deel. In 1900 was de demping voltooid.

Kerketras.

In 1934 werd de drinkwaterleiding op Goeree-Overflakkee aangelegd. In Middelharnis was toen Jan Vroegindeweij, vader van de predikanten Wouter, Arend, Leen en Willem Vroegindeweij. Hij was geen voorstander van de aanleg.

Van l.n.r. staand: Arend, Leen, Wouter, Willem en Sjaan. Zittend: Jannetje Vroegindeweij-Verhage en Jan Vroegindeweij. Voor hun huis aan de Secretaris Nijghstraat

In de eeuwen daarvoor ontstonden er soms grote problemen als het lang droog bleef. De regenbakken in de kleine huizen waren dan snel leeg. Een kerketras bood dan uitkomst. Al het regenwater dat van het kerkedak afkwam, kwam via de verschillende regenpijpen in de tras terecht. Daar ontstond dus een gigantische waterreserve. Rond 1800 werd Pleunis Krijger door het kerkbestuur aangesteld voor de verkoop van dit regenwater. Een emmertje water kostte toen 2 penningen, vier emmers werden verkocht voor 1 stuiver en een heel vat voor 2 stuivers. Jarenlang bleven deze tarieven hetzelfde. Pleunis mocht van de opbrengst 1/6 deel zelf houden. In de Franse periode werden de opbrengsten nauwkeurig bijgehouden in een speciaal daarvoor gemaakt boekje: Memory van den kerkeregenbak.

Niet alleen tijdens droge perioden werd er water gekocht, maar eigenlijk ging dat het hele jaar door. Als de vissers naar zee trokken, haalden ze eerst hier hun watervoorraad.

In de twintigste eeuw regelde de toenmalige hondenslager C. Jordaan de waterverkoop

(Pastorieën en de Hoeksteen in voorbereiding)