Geschiedenis van de Grote of St. Michaëlskerk

Wat voorafging, het begin en de bouw van de Grote of St. Michaëlskerk

De Grote of St. Michaëlskerk dankt zijn naam aan de aartsengel Michaël waaraan deze kerk oorspronkelijk was gewijd. Lange tijd is de naam in onbruik geraakt, maar gelukkig is deze weer in ere hersteld.

St. Michaël is ook afgebeeld in het wapen van Middelharnis van 1816. Hij overwint hier de draak, de duivel. In zijn hand houdt hij een schild, het latere wapen van Middelharnis uit 1908 en ook al in gebruik in het heerlijkheidswapen van 1696. Bij de gemeentelijke herindeling van 1966 werd het harnas het hartschild in het gemeentewapen en bij de herindeling van 2013 zijn geen elementen van de gemeente Middelharnis in het nieuwe wapen overgenomen.

De draak zoals deze boven is afgebeeld, is in de kerk terug te vinden bovenin de pilaar aan de linkerkant van de galerij. Het harnas is te zien op de hoofdingang onder de toren, op de preekstoel en boven de ramen van het koor.

Wat vooraf ging.

Mr. Jacob van Lennep

“Op! Mannen van Middelharnis! Ter hulpe! Ik ben Willem van Holland.

Het hooren van dien geduchten naam, – maar nog meer wellicht de tegenwoordigheid van de gewapenden, die den Graaf vergezelden, – ontstak de moed der dorpelingen: van alle kanten drong men op de volgelingen van Meerhem aan, en hij zelf vond zich ontwapend en gebonden, eer hij nog tijd had gehad, zich te weer te stellen”.

Deze passage staat in de bijdrage van Kees Dirksz als onderdeel van het verhaal De reisgenoten, geschreven door Mr. Jacob van Lennep. Het verhaal de Reisgenoten komt voor in deel 5 van de serie Onze Voorouders in verschillende taferelen geschetst, (1844).

Die reisgenoten horen bij het gezelschap van Jonker Johan van Arkel, hoofd van de Friese Kruisvaarders, op terugtocht na de laatste kruistocht  in 1270.

Van Lennep laat daarmee de historie van Middelharnis beginnen voor het jaar 1270 omdat er in het verhaal al sprake is van een marktplein en een haven.  De Heer van Putten is de verbindende schakel tussen fantasie en werkelijkheid.

Het begin

Op 1 maart 1312 bevestigde Graaf Willem II van Holland een paal- of grensscheiding van de heerlijkheid Putten. Volgens de beschrijving liep die tussen de vier hernessen, of hornessen. Daarmee worden de weiplaten, of anders gezegd de eigendommen of erfgoederen bedoeld. Voor één van de middelste platen, de middelhernesse, gaven de heer en vrouwe van Putten op vrijdag na Sinte Margriet, 17 juli 1355, aan Hugo Willemszoon van Zwanenburgh vergunning om 60 gemeten moerdijken te verkopen die voor zout- en turfwinning geëxploiteerd zouden worden.

Op 16 juni 1430 kreeg Adriaan Willem Hugeszn., zoon van Zweder van Gaesbeek, heer van Putten, de helft van het gehele Middelharnis in leen, met dien verstande, dat Adriaen, wanneer hij tot verkoop wilde overgaan, hij dit zou moeten overleggen met de heer van Putten. Van de opbrengst zou de heer de vierde penning moeten hebben.

Adriaen Willem Hugeszoon is zonder zonen na te laten overleden en Middelharnis verviel weer aan de heer van Putten.

8 december 1415 verkocht Jacob van Gaesbeek, onder een aantal bepalingen, 20 gemeten moerdijk aan Heinrich Wael, Jan van Delft en Gheryt Janszoon voor 18 kronen en op 12 juli 1424 verkocht hij de gorzen van Middelharnis. Hieruit blijkt dus dat Middelharnis de helft is van het latere Oudeland van Middelharnis.

Moernering. De moeraslaag werd afgegraven, gedroogd en verbrand. Aan de as werd zout water toegevoegd en dat werd weer uitgekookt tot er tenslotte zout overbleef. Zout was een duur product, omdat het ‘t enige conserveringsmiddel was.

Het gehele gors werd uitgemoerd en daarna verkocht aan de abt en het convent van het klooster van St. Michiel te Antwerpen, aan de prior en het convent van het opperste Karthuizerklooster in Savoije, aan Pieter Potten ten behoeve van de armen en aan andere gegadigden.

Daarmee was de voorbereiding ingeluid voor de bedijking van het Korenland. (zo werd dit stuk later door geschiedschrijvers genoemd).

De verkoop gebeurde omdat Jacob van Gaesbeek geldgebrek had.  Tot bedijking kwam het nog niet meteen, omdat er geschillen rezen tussen de heren van Middelharnis en de heer van Sommelsdijk over het gors de Oostmoer. Die werden pas in 1440 opgelost. Er rezen ook geschillen over de grenzen tussen Stad aan ’t Haringvliet en Middelharnis, maar die werden in der minne geschikt.


Op de afbeelding het omvangrijke complex van kerk en klooster St. Michiel te Antwerpen. De toren van de kerk te Middelharnis lijkt ook op de toren van deze kerk.

‘Item den abt van St-Michiels-klooster binnen Antwerpen met den prioor van de Carthuyseren in het bisdom van Gromoel [Grenoble?], den prioor van de Salvators binnen Antwerpen, Jan Ruychrock Van der Werve, Pieter Spernagelende Pieter Mannen Jacobsz., heeren van Middelhernisse, hebben uyt kracht van den koop by heur voorouders verkregen van Jacob heere van Gaesbeke, Abcoude, Putte ende Stryen, uyt gegeven den eersten dach meert 1460, te bedijcken tot een corenlandt de gorssinge ghenaemt Middelhernisse, liggende onder Putte, waer van het dorp als doen genaemt is  StMichiels in Putte. Met de voors. Gorssinge van Middelhernisse is oock alsdoen bedijckt Sommelsdijck ende Duyvenwaert, sijnde t’ samen onder eene dijkagie besloten.

Citaat uit deel 6 van het tijdschrift, uitgegeven door het Belgische museum voor de Nederduitsche tael- en letterkunde en de  geschiedenis des vaderlands, door J.F. Willems. De auteur van dit artikel is Karel Lodewijk Torfs.

 Aan de eigenaren van Middelharnis werd op 9 december 1463 door Karel van Bourgondië vergund het land van de heer in leen te houden. De plaat of het gors Duivenwaaard werd gelijk met het latere Grijsoord ter bedijking uitgegeven aan Gheryt Buschuse en Pieter Steenhuys Bartelmeuszoon. Ook de bedijking van deze plaat liet nog even op zich wachten.

De toenmalige eigenaars wilden de bedijking gemeenschappelijk uitvoeren binnen één ringdijk. Daarvoor sloten ze op 1 januari 1465 een zeer belangrijke overeenkomst. Partijen hierbij waren voor Middelharnis de eigenaars of heerschappen, de abt van het klooster van St. Michiel te Antwerpen, de prior van de Karthuizers buiten Antwerpen ( Jan Ruygrok van de Werve), namens prior en convent van het opperste Karthuizerklooster in Savoije, de prior van het door Pieter Pot gestichte St. Salvatorklooster te Antwerpen, Peter Spaarnagel en Peter Manne Jacobszoon.

De bepalingen luidden dat ieder zijn eigen dijken moest maken op zijn eigen grond en die ten eeuwigen dage moest onderhouden. In Middelharnis zouden er vijf , in Sommelsdijk vijf en wegens Duivenwaaard zouden er drie gezworenen aangesteld worden die gezamenlijk een zeewering zouden laten maken. Ieder zou verder op zijn eigen gebied een dijkgraaf aanstellen. De scheidingssloot of scheidingsweg tussen Middelharnis en Sommelsdijk zou komen op de plaats waar in 1312 de grenspalen waren geplaatst. De scheiding, in welke vorm dan ook, zou moeten worden onderhouden door de beide gemeenten. De drie heerschappen zouden de handvesten handhaven op de wijze zoals hen goed dacht en het gebied door baljuwen, schouten, schepenen, gezworenen en mannen laten regeren.

De bedijking moest voor 1 maart van dat jaar een aanvang genomen hebben. De bedijkers moesten ter ere Gods van elke honderd gemeten lands één gemet afstaan voor de te stichten kerk en twee gemeten dijkgrond voor een kerkhof.

Ze waren verplicht een kerk te stichten en “ten eeuwigen dage” te onderhouden.

Het dorp zou de naam krijgen Sint Michiel in Putten. Die naam is al snel in verval geraakt en vervangen door Middelharnis

De bouw

In de uitgiftebrief voor deze inpoldering stond dus, zoals gebruikelijk, dat er een kerk gebouwd moest worden “ ter eere Godes en zijner gebenedijder Moeder Marien in sonderlingen den heiligen Engel Sinte Michiel.” De aartsengel Michael werd beschouwd als de beschermheilige van de Meekrapdelvers en op zijn naamdag, 29 september, droeg men zijn beeld in een processie mee door de straten van Middelharnis.

De uitgifte voor de inpoldering werd bevestigd door Jacoba van Beieren en Frank van Borselen in 1475.  Het is dus onwaarschijnlijk, dat met de bouw van de kerk al begonnen is in 1465 en voordat het zover was moest er natuurlijk veel werk verzet worden. Een kerk bouwen was in die tijd geen geringe bezigheid. Voor grote kathedralen gold dat de grootvader bij de fundering was betrokken en de kleinzoon bij de voltooiing. Gemiddeld genomen praat je dan over een tijdsbestek van 150 jaar. Zo lang zal het hier niet geduurd hebben en bovendien wordt al 1465 een pastoor werd aangesteld nl. Cornelis Jacobsz. Hij legde een memorieboek aan en daaruit is dit gegeven bekend.

Een memorieboek is een agenda met liturgie, een soort kerkelijke dienstregeling dus, voor het hele jaar. Ook de inkomsten en uitgaven staan erin vermeld evenals de opgedragen missen. Na restauratie ziet het boek eruit als op de linker foto. Van de oorspronkelijke kaft is de achterkant, leer over hout, nog aanwezig. (zie foto rechts)

In dit memorieboek, dat zich nu in het Streekarchief Goeree-Overflakkee bevindt, is voor iedere dag een bladzijde gereserveerd, waarop bovenaan de heilige wordt vermeld, die op die dag werd herdacht.

Pagina waar de in de Middelharnisse kerk opgedragen missen vermeld worden

De aartsengel Michaël die de duivel overwint. De duivel werd ook vaak afgebeeld als een draak.

De kerk werd gebouwd in Gothische stijl, o.a. te herkennen aan de ramen met spitsbogen en in de traditionele opstelling: wie de kerk binnenloopt, gaat in de richting van Jeruzalem. Omdat er meer beroepen waren (verenigd in gilden), die ieder hun eigen beschermheilige hadden, werden er ook voor die heiligen altaren gebouwd: voor St. Anthonius, beschermheilige voor de melaatsen en door de boeren aangeroepen bij ziekten van het vee; voor het Heilig Kruis en St. Petrus, de beschermheilige van de vissers; voor St. Jacob, de beschermheilige van de zeevaarders; voor St. Joris, de beschermheilige van de schutterij; voor St. Gertrudis, de beschermheilige tegen muizenplagen, koorts en andere ongemakken. Zij was zeer populair bij de boeren, omdat hun oogst vooral in droge zomers veel te lijden had van de muizen.

Zij-ingang met altaarstenen als stoep

Van al deze altaren zijn slechts twee altaarstenen overgebleven, die nu dienst doen als stoep voor de zuidelijke zij-ingang. (ingang rechts, gezien vanaf het orgel) Ze zijn als altaarstenen nu nog te herkennen aan de kruisen die erin uitgehakt zijn.

Het transept

De twee dwarsarmen van het transept en in het midden het hart van het kruis.

De kerk heeft de vorm van een kruis.  De dwarsbalk van het kruis heet het transept

Het koor is het oudste gedeelte van de kerk. Het transept met daarin de noorderkapel en de zuiderkapel zijn van later datum. Dat is o.a te zien aan de ramen. Het kerkgebouw heeft één zijbeuk aan de noordkant. De totale lengte van de kerk is 48 meter.

De toren, waarin een traptorentje is aangebracht, is uit het laatste kwartaal van de vijftiende eeuw. Deze is gebouwd in de stijl van de toren van het St. Michielsklooster te Antwerpen.

Fraai is het kruisgewelf in het torenportaal en een fragment van een versierd kapiteel uit de kerk in het traptorentje. Met een peer en een spits werd de toren  voltooid. In 1521 werd de eerste klok in de toren opgehangen. Deze was in 1521 te Mechelen gegoten door J. Waghevens. De tweede, gegoten door Johannes Specht te Rotterdam, kwam pas in 1752.

Op 24 februari 1804 werd de spits door de bliksem getroffen. Metselaar Hendrik de Wit beklom de buitenkant van de spits en met hulp van de vissers Aren van Gelderen en Dirk Dekker werd de brand geblust. Het gemeentebestuur vereerde De Wit met een gouden horloge en een zilveren tabaksdoos, Van Gelderen met een zilveren horloge en tabaksdoos en Dekker met een zilveren horloge en F 25, alles met opschriften betreffende hun heldendaden. In 1811 werden peer en spits op bevel van Napoleon afgebroken. Hij had de kerktorens nodig voor zijn optische telegraaf om daarmee snel berichten te kunnen doorgeven. In 1798 werd de toren overgedragen aan de gemeente.

Tijdens de Franse Revolutie experimenteerde de Fransman Claude Chappe met diverse methoden om snel berichten over grote afstanden door te geven. In 1793 werd zijn semafoor– of optische telegraafsysteem tussen Parijs en Rijsel (ca. 220 km) voor het eerst in gebruik genomen. De snelheid waarmee de Chappe-telegraaf werkte was voor die tijd verbluffend. Via de vijftien seinposten deed een bericht er dertien minuten over. Een koerier te paard had daar minstens twintig uur voor nodig.

Zijn telegraaf bestond uit een keten van seintorens op onderlinge afstanden van 10 à 20 km. Op een toren bevond zich een seinpaal met armen, die in een bepaalde stand konden worden gezet. Van veel kerktorens werd de spits verwijderd om er een telegraaf op te kunnen zetten. De bedienende telegrafist had met twee krachtige telescopen zicht op de vorige en volgende toren.

De seinpaal bestond uit een balk (“regulateur”) die in vier standen kon worden gezet met aan elk uiteinde een kortere arm (“indicateur”) met een contragewicht die in zeven standen kon worden gezet. Dat leverde 4 × 7 × 7, dus 196 verschillende standen op. Hiervan werden er 184 gebruikt. Het codeboek bevatte 8464 woorden, die bestonden uit een stand met de regulateur schuin gevolgd door een stand met de regulateur horizontaal of verticaal. (Wikipedia)